Op de Westelijke Jordaanoever in 1988, tijdens de Eerste Intifada, sluit een Palestijnse tiener zich spontaan aan bij een protest tegen Israëlische soldaten. Zijn moeder vertelt recht in de camera over het leven van haar zoon, zijn vader en zijn grootvader, die onvermoeibaar strijden voor een waardig bestaan. De film begint 'in medias res' en ontvouwt hoe haar zoon in een coma belandde.
De Tweede Wereldoorlog scheurde miljoenen Joodse levens aan flarden; onder Hitlers fascistische terreur werden gezinnen uit huis gejaagd, gedeporteerd en industrieel vermoord. Ter compensatie voor dat onmetelijke leed én als poging herhaling te voorkomen, werd in 1948 Israël gesticht als veilige thuishaven voor het Joodse volk. Het bleek een oneigenlijke gift: het gebied werd al generaties bewoond door Palestijnen. Zo rees uit de as van de Shoah een gruwelijk conflict dat blijft voortwoekeren, een venijnige staart die nog altijd levens verwoest.
Het historische familieportret over drie generaties voert terug tot de Nakba: de massale en gewelddadige ontheemding en onteigening van Palestijnen rond 1948. Grootvader Sharif wordt in Jaffa gevangengenomen als hij uitlegt dat de sinaasappelboomgaard van hem is, vader Salim moet als jongen met hem huis en haard verlaten, en kleinzoon Noor groeit op in tweederangs burgerschap.
Een machtig document over een Palestijnse familie.